Het verhaal van Reina Pins

“Het is maar goed dat je niet weet wat je allemaal te wachten staat als je de diagnose borstkanker krijgt. Natuurlijk is het fijn dat ik er nog ben, maar ik vind het een kutziekte met een klotebehandeling. Het dondert je van je fundamenten. 

Ik was altijd scherp en had een goed geheugen, maar nu heb ik ‘chemohersens’. Ik kan ook veel minder goed tegen spanning en zit tegen een burn out aan. Het ging allemaal best goed, maar ik heb te snel het vuur uit m’n sloffen gerend om weer mezelf te worden. Ik wilde dat alles weer zou worden zoals het was. Maar dat wordt het nooit meer. 
Twee jaar geleden voelde ik een knobbeltje. Maar zowel m’n man als een vriendin voelden niets. Weken later, tijdens het douchen, tilde ik m’n arm op en toen was het onmiskenbaar: dichtbij m’n tepelhof. Heel klein. Ik ging naar de huisarts, die verwees me door en dan stap je een week later bij de chirurg naar binnen als mens en kom je naar buiten als kankerpatiënt. 
Ik kwam op de wachtlijst, maar dat wilde ik niet. Mijn zusje had op dat moment een heel ernstige vorm van kanker en ik kon die onzekerheid niet aan. Een week later werd ik geopereerd. Aan het eind van m’n bestraling kreeg ik helaas te horen dat mijn zusje niet meer te redden was. Ik moest nog aan de chemo en mijn zusje ging dood. Ik ben er wel aan begonnen, maar het viel me zwaar. De laatste chemokuur kreeg ik een dag na haar begrafenis. 
Daarna begon het revalideren. Dat traject heb ik heel positief ervaren. Ik kon wel wat hulp gebruiken om mijn hoofd en lijf weer bij elkaar te brengen. Ik had veel aan de yogalessen die tijdens de dagbehandeling in het OLVG werden gegeven en ik ben met een groepje gaan fitnessen bij Cancer Care Center, toen nog in de Blasiusstraat. We hebben keihard gewerkt aan onze conditie, maar met veel plezier. En het contact met lotgenoten heeft me heel veel gebracht. Er werd gemopperd en geklaagd, zonder te miepen. En we bespraken vooral ook overwinningen. We begonnen met allemaal kale koppen, maar langzaam zag je mensen weer mens worden. We hebben nog steeds een groepje en zien elkaar een paar keer per jaar.”